De tester, de kelder en de zaklamp van gekke Rieks

Gepubliceerd op 20 oktober 2026 om 10:10

Een klap voor je tester: Herinneringen aan een Groningse jeugd

Het begon allemaal met een taalkundig puzzeltje over het woord tester. Mijn opa dreigde vroeger wel eens met de woorden: "Pas op, anders krijg je een klap voor je tester!" Als kind dacht ik altijd dat hij mijn gezicht bedoelde. Pas veel later ontdekte ik de taalkundige herkomst: het Groningse woord tester (of test) stamt direct af van het Latijnse testa, wat stenen pot betekent. Mijn opa gebruikte het als dialect voor de schedelpan of de kop. Het was een van de vele kleurrijke uitdrukkingen in het warme, nuchtere Groningse nest waarin ik opgroeide.

Ik ben zelf geboren in de Wilhelminastraat in Sappemeer. Hoewel ik het Gronings op school nooit heb geleerd en zelf altijd Nederlands sprak, groeide ik op in een compleet Groningstalige bubbel. Mijn vader, moeder, ooms, tantes en buren spraken het constant. Vooral de verjaardagsfeestjes bij mijn opa (geboren in 1911, werkzaam bij Scholtens Strokartonfabriek) en oma waren een intense ervaring. Als de oudere generatie luidruchtig zat te klatsen (kletsen), verstond ik er als tienjarige bijna niets van. Ze spraken binnensmonds en sommigen hadden niet eens hun 'klappergebit' in. Het klonk voor mij net zo raar als het Deens waarschijnlijk klinkt voor een Zweed: een brij van ingeslikte klanken.

Terwijl de volwassenen in de voorkamer zaten tussen de sigarenrook en de drankflessen, zocht ik mijn eigen weg. De voorkamer was de 'mooie kamer', die doordeweeks koud bleef en waar ik alleen op woensdag- en zaterdagmiddag mocht zitten om op de beeldbuis naar TiTA Tovenaar, Rikki en Slingertje, Lassie of The Thunderbirds te kijken. Maar tijdens de feestjes was mijn domein de achterkamer, de keuken en de kelderkast. In die kelder stonden de wintervoorraad aardappelen en de houten planken vol glanzende weckpotten. Als het hard regende, stond de kelder blank door het hoge grondwater. Maar het was ook de plek waar de fles advocaat stond. Terwijl de dames in de voorkamer deftig zaten te nippen met een minuscuul lepeltje uit een mini-glaasje, nam ik stiekem een flinke hap rechtstreeks uit de fles in de kelder. Dat gaf pas een goed mondgevoel!

Mijn taak op die feestjes was het maken van de toastjes. Met echte Groninger leverworst van slager Tiemans, huzarenslaatjes, of toastjes met kaas, sardientjes en tonijn, afgemaakt met een modern streepje mayonaise of ketchup uit een tube.

In het weekend fietste ik vanuit ons huis in Hoogezand steevast naar mijn opa en oma in Sappemeer. Dat betekende ultieme vrijheid: boompje klimmen, wroeten in de tuin en ravotten met vriendjes. Zondagavond moest ik thuis direct in bad om het Groningse zand van me af te spoelen, maar de herinneringen nam niemand me meer af.

Het hoogtepunt van het weekend was de zondagmiddag. Van mijn opa en mijn oom kreeg ik dan allebei een gulden zakgeld. Met die twee guldens was ik de koning te rijk. Ik kocht er een ijsje van en een zakje Smith's chips — die toen nog ongezouten waren en waar een apart blauw papieren zakje met zout in zat dat je zelf moest schudden. Soms gaf ik wat overgebleven geld aan een ander kindje dat het minder breed had.

Met mijn centen op zak ging ik naar het Centrum Theater in de Noorderstraat, de bioscoop van het keurige echtpaar Milius. Mevrouw Milius hielp de lange rij drukke kinderen geduldig aan een kaartje bij de kassa, en meneer Milius controleerde de kaartjes bij de deur. Eenmaal binnen keken we naar Sjors en Sjimmie of Pietje Bell. Buiten de zaal gluurden we stiekem naar de fotokast met aankondigingen van pikante films voor volwassenen.

In de bioscoopzaal heerste "gekke Rieks". Rieks was een buitenbeentje met een verstandelijke beperking die van de familie Milius mocht helpen in het theater — een prachtig stukje sociale zorg avant la lettre. Gewapend met een zaklantaarn liep hij door de donkere gangpaden. Als we te luidruchtig waren, scheen hij de felle straal recht in je gezicht. Rieks kon streng optreden; als kinderen te veel kattenkwaad uithaalden, trok hij ze stevig aan de haren of gaf hij ze een schop onder de kont. Veel kinderen daagden hem uit of lieten hem schrikken. Toen ik ouder werd, begon ik te begrijpen dat hij kwetsbaar was en vond ik het vooral erg zielig voor hem. Zelf hield ik me altijd gedeisd met mijn chips, en die schop onder mijn kont heb ik gelukkig nooit gehad.

Het zijn herinneringen met een gouden randje. De geur van kamferballen aan oma’s zondagse jurk, de lucht van bindtouw en karton van mijn opa, de smaak van advocaat in een drassige kelder en het felle licht van een zaklamp in een volle bioscoopzaal. Sappemeer in de jaren '60 en '70: een prachtige tijd om kind in te mogen zijn.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.