De dichte gaatjespan en de worstendief van de Wilhelminastraat
Als kind in de jaren zestig groeide ik op aan de Wilhelminastraat in Sappemeer. In mijn herinnering was de wereld destijds gigantisch. De straat leek eindeloos en de volwassenen om me heen leken vooral bezig met één ding: het uitvinden van de meest flauwe grappen om kinderen mee in de maling te nemen. Vooral Groningers konden er wat van met hun droge humor. Als kind vond ik die grappen echt dom, maar achteraf gezien had ik al vroeg een ingebouwde onzin-detector. Ik liet me toen al door niemand iets wijsmaken.
Oom-humor en de lange neus van meneer Bos
Mijn oom was er zo eentje. "Ga je mee naar de spoorhekken?" vroeg hij me minstens één keer per maand. En hoe vaak ik er als vijfjarige ook intrapte met mijn nieuwsgierige "Wat gaan we doen dan?", zijn antwoord was steevast: "Ikke poepen en jij trekken!" Waarna hij zelf het hardst moest lachen. Of mijn oma, die breedlachend vroeg of ik 'Bos' wel kende. Welke Bos? "Met zien lange neuze, whaha!" Ik kon me er groen en geel aan ergeren. Ik kende helemaal geen meneer Bos met een lange neus.
Het hoogtepunt van die flauwekul beleefde ik op mijn kinderfietsje in de straat. Een wildvreemde vrouw zat met iemand in de tuin en riep me naar het hek. Of ik even een boodschap voor haar wilde doen: de "dichte gaatjespan" halen. Mijn hersens kraakten meteen. Een pan met gaatjes is een vergiet, dus een dichte gaatjespan moest wel een dicht vergiet zijn... oftewel een gewone pan. Ik vond het hele verhaal maar raar, weigerde de opdracht en fietste direct door. Thuis vroeg ik aan mijn oma wat een dichte gaatjespan was. Toen ze hardop begon te lachen en uitlegde dat het een fabeltje was, wist ik het zeker: mijn eigen logica klopte. Mij namen ze lekker niet in de lening.
Schaatsen op runderribben bij slager Tiemans
Ook mijn opa probeerde het een winter, toen ik aan zijn kop zeurde dat ik zo graag het ijs op wilde om te leren schaatsen. "Goa moa noar de slager," zei hij droog, "en vroag om moar om 'n poar kouribm (koeribben)." Ribben van een koe! Hij doelde op de botten waar ze heel vroeger schaatsen van maakten, maar ik dacht: wat moet ik nou met runderribben bij de slager als ik wil schaatsen? Ik ben gek? Doch lekker niet.
Toch ging ik die middag wel naar de slager voor een échte boodschap voor oma: doorregen speklappen en een ons boterhamworst. Thuis aten we luxe zaken als rosbief en ham, dus die vette speklappen vond ik maar niks. Maar de reis naar slager Tiemans aan de Noorderstraat was het altijd waard. Ik zie het nog zo voor me: de halve koeien die achter de toonbank aan de haken hingen, de slager die weer een nieuw karkas over zijn schouder binnendroeg, en het ritmische, vertrouwde swoesh-swoesh... klak-klak geluid van de grote, ouderwetse rode snijmachine. En het beste van alles? Van slager Tiemans kreeg ik áltijd een heerlijk dikke plak leverworst aan de toonbank.
Loaten opschrieven bij Poelstra en de roofoverval van Polly
Betalen hoefde ik nooit; het werd daar gewoon "loaten opschrieven" in een groot boek. Dat ging net zo bij de buurtsuper naast het huis van mijn opa en oma aan de Wilhelminastraat, een omgebouwde woning die destijds propvol levensmiddelen stond en gigantisch leek. De winkel werd gerund door Emile Poelstra en zijn vrouw Bientje. Achter de winkel stond een lange schuur als magazijn, met een informele achterdeur waar buurtgenoten zelfs na sluitingstijd nog achterom liepen om snel iets te halen.
Niet alleen mensen kenden die achterdeur, de lokale dieren wisten hem ook te vinden. Op een dag stond ik op straat en zag ik Polly, het driepotige hondje van kolenboer Lever die een stuk verderop in de straat woonde. Polly kwam met een rotgang de hoek om zetten, compleet in zijn nopjes. In zijn bek klemde hij een hele, grote cervelaatworst die hij ongetwijfeld stiekem achterom bij Poelstra uit het magazijn had gepikt. Op drie poten racete hij zo snel als hij kon naar het huis van zijn baasje om zijn buit veilig te stellen.
De magie van een kleine straat
Inmiddels ben ik al heel lang niet meer die vijfjarige. Tegen de tijd dat ik tien werd, droomde ik weg bij de avonturen van Rikki en Slingertje en Swiebertje op de zwart-wit tv, las ik wekelijks over Madam Mikmak en Tompoes in de Donald Duck, en galmden de nieuwste hits van The Beatles uit de radio. Als ik nu door de Wilhelminastraat rijd en naar nummer 45 kijk (dat in de jaren zestig nog nummer 42 was), verbaas ik me erover hoe klein die omgebouwde winkelwoning in werkelijkheid is. Maar in mijn herinnering blijft het de magische plek van mijn jeugd: de plek waar een driepotige hond de hoofdprijs pakte, en waar ik met mijn gezonde verstand de flauwe grappen van de grote mensen glansrijk overleefde.
Reactie plaatsen
Reacties